Statistieken

Artikelen bekeken hits
989405

Home

Terugkeer van de zomergasten (2017-4)

Gele Kwikstaart

Kwikstaarten zijn levendige slanke grondvogels met een lange staart, waar ze onophoudelijk mee wippen. De witte kwikstaart, die vanaf begin maart in onze regio arriveert, is inmiddels al volop in het open veld te vinden. De gele kwikstaart kunnen we vanaf eind maart verwachten. De winter brengen ze  in het Sahelgebied door, dus ze hebben een aardige reis achter de rug.

Het is een vogel van het open agrarisch landschap. Nu de soort het broedbiotoop in onze omgeving naar de bollenvelden heeft verlegd zou je zeggen dat je ze daar het eerst zou aantreffen. Niet is minder waar. Vroege meldingen kunnen vanuit elk open gebied verwacht worden. Goede plaatsen voor het ontdekken van foeragerende gele kwikstaarten zijn plaatsen waar veel insecten voorkomen, zoals in graslanden met vee.

De gele kwikstaart is opvallend geel, heeft een grijze kop en een geelgroene rug.

Vooral in de kuststrook is in het voorjaar de kans groot op de twee ondersoorten Engelse en Noordse kwikstaart aan te treffen. Dus even goed opletten. 

 foto: Otte Zijlstra

 

  


Zwartkop

Een klein deel van de zwartkoppen overwintert in Nederland, het overgrote deel van de populatie trekt naar het Middellandse Zeegebied. Jaarlijks worden in de eerste week van april wel de eerste zwartkoppen gehoord, maar soms doet in maart er al een enkel mannetje z’n best.

Deze zeer talrijke broedvogel houdt van struwelen met opgaand hout, ook dicht bij huis, dus in elk park of bosje kan de zwartkop gesnapt worden.

Het volwassen mannetje is grijs en heeft een zwarte kruin, terwijl het vrouwtje meer bruingrijs is met een roodbruine kruin. Ze zitten vaak verscholen in het struikgewas, wat maakt dat je de zwartkop eerder hoort dan ziet. De zang lijkt veel op dat van de tuinfluiter. Het vraagt enige oefening om deze twee soorten uit elkaar te houden. De zang van de zwartkop houdt minder lang aan en is gevarieerder dan van de tuinfluiter. Na wat gekwetter maakt hij een overslag naar meer melodieuze fluittonen.

 foto: Otte Zijlstra

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boerenzwaluw

Uit ringonderzoek is gebleken dat de in Nederland broedende boerenzwaluwen in West- en Centraal-Afrika overwinteren. Een reis van 7000 – 8000 km. De voorhoede bereikt in maart al ons land, de meeste arriveren in de loop van april.

De eerste boerenzwaluwen kunnen overal in het open landschap aangetroffen worden. Bij slecht weer foerageren ze vooral boven plassen en meren. Nestelen doen ze bij voorkeur in boerenschuren, stallen en dergelijke. 

De boerenzwaluw heeft een blauwglanzende zwarte bovenzijde. Verder zijn de bruinrode keelvlek en de diepgevorkte staart goede herkenningspunten.

Door een afname van 50 – 75% in de afgelopen 40 jaar staat de boerenzwaluw op de Rode Lijst.

foto: Otte Zijlstra 

 

 

 

Rietzanger

Rietzangers brengen de winter door in de Sahel. Bij gunstige omstandigheden is er kans om een rietzanger in maart te snappen, maar de eerste week van april is meer gewoon.

 De rietzanger is een vogel van rietvelden en andere oevervegetatie, vooral de combinatie van jong en overjarig riet is in trek. Na een flinke duikeling tussen 1965 – 1985 gaat het de rietzanger weer aardig voor de wind, dit wordt deels bepaald door natte winters in de Sahel. Het is opmerkelijk dat het herstel van de Nederlandse populatie zich in Noord en West Nederland voordoet, terwijl Oost en Zuid Nederland vrijwel onbezet blijft. Ondanks de toename staat de rietzanger op de Rode Lijst.

De getekende kop met een duidelijke lichte wenkbrauwstreep en gestreepte bovenzijde onderscheiden de soort van de andere rietvogels. De zang is gevarieerder en sneller dan van de kleine karekiet, daarnaast maakt de rietzanger korte zangvluchten.

foto: Otte Zijlstra

 

 


Fitis

Fitissen brengen de winter ten zuiden van de Sahara door. Tegen eind maart keren de eerste exemplaren terug in onze regio. Ze broeden haast op alle denkbare plekken waar maar bosschages met een struiklaag aanwezig is, wellicht is dat de reden dat het een van de meest verspreide broedvogels van Nederland is.

 

Qua uiterlijk is de verwarring met de tjiftjaf snel gemaakt. Het gaat om subtiele verschillen in kleur en tekening. De pootkleur kan de oplossing geven. De fitis heeft veelal lichte poten, terwijl die van de tjiftjaf donker zijn. De zang is totaal verschillend. Daar waar de tjiftjaf een tweetonige zang laat horen, maakt de fitis een lang aflopend riedeltje

 

foto: Adri de Groot  

 

Visdief

De eerste waarnemingen van deze West-Afrikaanse overwinterende slanke vogel worden veelal langs de kust al in maart gedaan. Vanaf begin april wordt de soort ook in het binnenland gesignaleerd, dus goed opletten boven watertjes waar ze biddend op zoek zijn naar voedsel.

Visdieven broeden in kolonies langs de kust en in het binnenland in de buurt van visrijke wateren. In 2015 werd de Nederlandse broedpopulatie op 14.250- 15.750 paren geschat, waarvan bijna ruim 3500 op het vogeleiland Kreupel en bijna 3000 in het Waddengebied, wat een mager resultaat is en een voortzetting van de negatieve trend aldaar (SOVON-rapport 2017/04).

 De visdief heeft zeer smalle vleugels, een gevorkte staart, een oranjerode snavel met zwarte punt en in zomerkleed een zwarte kopkap. De soort lijkt veel op de Noordse stern die vrijwel uitsluitend boven zee wordt aangetroffen.

 foto: Otte Zijlstra

 

 

 

Boompieper

Boompiepers overwinteren in Tropisch Afrika. De terugkeer kan vanaf maart verwacht worden, maar gewoonlijk zien we de soort pas vanaf begin april.

Ten noorden van het Noordzee Kanaal komen boompiepers vrijwel uitsluitend in de duinstreek voor, waar ze op open plekken met wat struiken en een enkele boom hun territorium bezetten. Vooral de zangvlucht is karakteristiek. Vanuit een boom stijgt het mannetje omhoog om vervolgens als een parachute met stijve vleugels in een struik of boom te landen.

De boompieper lijkt veel op de graspieper, die meer van open terreinen houdt. Het meest kenmerkende verschil zijn de flankstreepjes. Bij de boompieper zijn de flankstrepen smaller (in lichte lijnen) dan de borststrepen, terwijl bij de graspieper zowel de borst- als de flankstrepen vrijwel even breed zijn.

 foto: Otte Zijlstra