Statistieken

Artikelen bekeken hits
989379

Home

Terugkeer van de zomergasten (2017 – 5)

Huiszwaluw

Deze lange-afstandstrekker vliegt naar Tropisch- en Zuid-Afrika om te overwinteren. Het is altijd weer een verrassing wanneer de eerste huiszwaluw arriveert. Het ene jaar zijn ze vroeg, soms al in maart, maar de eerste exemplaren kunnen zich ook pas rond 20 april aandienen.
De bebouwde kom is een prima plek voor het vinden van huiszwaluwen. Ze bouwen daar hun komvormig nest tegen de huizen, dus niet zoals de boerenzwaluw in schuren of stallen.
Deze zwartwitte zwaluw valt vooral op door de witte stuit. De staart is kort en gevorkt.

Snor

De overwinteringgebieden van de snor (Rode Lijstsoort) bevinden zich ten zuiden van de Sahara. In onze regio broedt de soort uitsluitend in het Zwanenwater, waar gewoonlijk rond 10 april de eerste exemplaren gehoord worden. Dit jaar, met een eerste waarnemingsdatum op 31 maart, is de soort wel heel vroeg.                                               

Het biotoop van de snor bestaat uit grote overjarige rietvelden met een goed ontwikkelde onderlaag. Onder ander door verlies van habitat en ongunstige weersomstandigheden in de winterkwartieren kromp vanaf 1970 het aantal broedgevallen. Tussen 1998 en 2000 werd de broedpopulatie op 1700 – 2000 paren geschat, daarna is de afname gelukkig gestopt. 

De snor leidt een verborgen leven en wordt dan ook meestal opgemerkt door de zang: een aanhoudend gesnor. De zang lijkt op dat van de sprinkhaanzanger. De toon is echter lager, terwijl de tonen elkaar sneller opvolgen. Qua kleed heeft de snor in tegenstelling tot de sprinkhaanzanger een egale donkere bovenzijde. 

Om het nog moeilijker te maken lijkt het kleed van de snor wel veel op dat van de kleine karekiet. De staart van de snor is echter afgerond en de bovenzijde is iets donkerder. De zang is totaal afwijkend. De kleine karekiet brengt namelijk een herhaald karre-karre-karre-tirre-tirre ten gehore.

Sprinkhaanzanger

Vanaf begin april tot half april is het een goede tijd om eerste exemplaren van deze Afrikaganger aan te treffen. Doordat de sprinkhaanzanger minder hoge eisen stelt aan het broedgebied komt, is de soort wat algemener dan de snor. 

De sprinkhaanzanger komt in Noord Holland vrijwel uitsluitend langs de kuststrook in vochtige vegetaties met wat struikgewas voor. Diep vanuit de begroeiing laat hij zijn eindeloos durende monotone roller horen. Het klinkt hoger dan van de snor en lijkt, als bij een naaimachine, op een reeks losse tonen die zich aaneenrijgen. 

De kop en rug van de sprinkhaanzanger zijn bruin met zwarte strepen en verder heeft hij een vage wenkbrauwstreep.

Nachtegaal

Als de nachtegaal in het voorjaar vanuit Tropisch-Afrika in Noord Holland arriveert zal dat vooral in het duingebied zijn. Dit met een sterke voorkeur voor het kalkrijke gedeelte ten zuiden van Bergen. Intussen zijn daar de eerste exemplaren al gesignaleerd, dus het zal niet lang duren voor de eerste nachtegaal in onze contreien te horen is. De zang is haast niet te missen, zeer melodieus en krachtig. Maar goed ook, want deze soort is moeilijk in de kijker te krijgen. Zo uitbundig als de zang is zo simpel in het kleed van de nachtegaal. De bovendelen zijn donkerbruin, en de staart en stuit roodbruin. 

Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is de populatie nachtegaal achteruit gegaan. Deze afname deed zich in Oost- en Zuid-Nederland voor, terwijl het in het westen de aantallen op peil bleven. Door het openmaken van de duinvegetatie gaat de nachtegaal daar nu ook achteruit. De nachtegaal is dan ook een Rode Lijstsoort.

Braamsluiper

In West-Europa broedende braamsluipers trekken via Zuidoost-Europa naar Oost-Afrika om daar de winter door te brengen. De terugkomst kan per jaar aardig verschillen. Soms is de soort al rond 8 april terug, andere jaren kan de eerste waarnemingsdatum in de derde week van april liggen. Het is dus ieder jaar weer spannend. 

In Nederland is de braamsluiper een algemene broedvogel. In Noord Holland ligt het zwaartepunt in de duinen met veel struweel. In het stedelijk gebied broeden ze in parken en groenzones. Alweer bespreken we hier een soort die door het vrij verborgen leven niet altijd makkelijk te vinden is. Het mannetje verraadt zich door zijn mitrailleurachtige geluid. 

De braamsluiper heeft een grijsbruine bovenzijde, grijze kop met donkergrijze oorstreek en een witte keel. De gelijkende grasmus heeft roestbruine vleugels, grijze kop en een opvallende oogring.

 

Tekst:Mary Markx

Foto's: Otte Zijlstra