Statistieken

Artikelen bekeken hits
989406

Home

Terugkeer van de zomergasten (2017-2)

Roodborsttapuit

Roodborsttapuiten overwinteren in Zuidwest-Europa en West-Afrika. Hoe zachter de winter hoe groter de kans op overwinterende exemplaren in Nederland. De eerste voorjaarvogels arriveren gewoonlijk rond 10 maart. In onze regio is het een duinvogel van open tot halfopen terreinen. De soort zit veelal in de top van een struik op de uitkijk. Als broedvogel doet de roodborsttapuit het goed in ons land. 

Roodborsttapuiten hebben een oranje borst en bruin gestreepte bovendelen met twee witte vlekken op de bovenvleugel. Het mannetje heeft een zwarte kop met witte halszijden. Het vrouwtje is valer van kleur.
roodborsttapuit: foto Otte Zijlstra

Kneu

De overwinteringgebieden van de kneu bevinden zich in zuidelijk Spanje en Marokko. Een klein aantal overwintert in Nederland, maar in onze regio komt het zelden voor. Om de eerste exemplaren te snappen is het nu de tijd om op zoek te gaan. 

Ze houden van open gebieden met weelderige kruidenvegetatie, wat er op neerkomt dat ze in onze streek met name in de duinstreek voorkomen.

 
kneu: foto Otte Zijlstra

Kneutjes lijken op het eerst gezicht wat saai, maar bij een betere observatie valt er heel wat te ontdekken. Vooral het mannetje met de rode borst en voorhoofd is schitterend. De kwetterende kneutjes zijn sociale vogeltjes, ook in de broedtijd leven ze in groepjes. 

Zomertaling

Door het zachte weer zijn er al wat zomertalingen in Nederland gesignaleerd, dus er kan uitgekeken worden naar deze soort. In onze regio worden de eerste zomertalingen meestal langs de kust en in de kustgebieden gezien, maar meer binnenlandse plaatsen zijn beslist niet uitgesloten.

 Zomertalingen overwinteren ten zuiden van de Sahara, vooral in de Sahelzone. Het zijn broedvogels van drassige graslanden, brede oevers van ondiepe wateren en andere moerassige gebieden met veel water- en oeverplanten. In ons land is het door verdwijning van het broedbiotoop al jaren een afnemende broedvogel en is daarom vanaf 2004 op de Nederlandse rode lijst gezet.

 

zomertaling: foto Do van Dijck

Bij deze kleine eend is het mannetje goed te onderscheiden door de witte wenkbrauwstreep en grijze flanken. Het vrouwtje lijkt sterk op het wintertalingvrouwtje. De vaag gestreepte kop, een wittere keel en lichte vlek aan de snavelbasis zijn een paar verschillen met het wintertaling. 

Grote Stern

De grote stern behandelen we dit jaar voor het eerst omdat de soort sinds verleden jaar weer in de regio broedt (104 broedparen), dit tengevolge van de facelift dat het natuurgebied De Putten (ten noorden van Camperduin) onderging.

 Het merendeel van de grote stern overwintert langs de west- en zuidkust van Afrika, een klein deel overwintert langs de Europese kust. In Nederland kan de soort dan in het Deltagebied aangetroffen worden. Gewoonlijk worden de eerste exemplaren in maart boven zee gesignaleerd en wie weet eerdaags in De Putten.

grote stern: foto Otte Zijlstra

De grote stern is een echte kustvogel die in kolonies broedt. In vlucht zijn de smalle vleugels opvallend licht en in zomerkleed is de zwarte kopkap en de zwarte snavel met lichtgele punt goede herkenningspunten.

grote stern: foto Otte Zijlstra

Blauwborst

Meestal arriveren blauwborsten rond half maart in onze regio. Het voorkomen van de blauwborst wordt vooral bepaald door de aanwezigheid van moerassen met wat opslag en daarop lijkende biotopen. In het Zwanenwater is het een vrij talrijke broedvogel, dus de kans is groot daar het eerste exemplaar tegen te komen.

In de 20e eeuw was het in Nederland een geleidelijk afnemende vogel. Vanaf de jaren zeventig kon door het ontstaan van verruigde, natte wilgenbossen in o.a. de Biesbosch en Flevoland de soort herstellen, waarna verdere verspreiding ontstond. Hierdoor maakte de blauwborst een opmerkelijke opmars van ca. 1000 paar in 1970 naar ca. 10.000 in 2000. De toename zet nog steeds voort.

blauwborst: foto Otte Zijlstra

De tot de lijsterachtige behorende blauwborsten hebben een lichte wenkbrauwstreep en een roestbruine staartbasis. Het mannetje valt op door de blauwe kin en borst met in het midden een witte vlek. Bij het vrouwtje ontbreekt de blauwe borst.